Als een directeur-grootaandeelhouder vanwege zijn functie en positie binnen het bedrijf tot dezelfde organisatorische en functionele eenheid behoort als het kantoorpersoneel van de werk-BV, is ook voor hem de fiscale regeling personeelsreizen van toepassing. Dit blijkt uit een uitspraak van rechtbank Breda.
Voorwaarden
Personeelsreizen zijn onder voorwaarden vrijgesteld van belasting- en premieheffing. Deze reizen kenmerken zich door een gebondenheid aan het door de werkgever opgesteld programma waarbij het bedrijfsbelang op de voorgrond staat. Belangrijk hierbij is dat:
- een personeelsreis een 'gezamenlijk karakter' draagt (dat wil zeggen dat het personeel gezamenlijk op pad gaat) én
- de deelname aan zo'n reis openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een 'organisatorische of functionele eenheid'.
Hetzelfde geldt voor personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen.
De dga
Ook een directeur-grootaandeelhouder (dga) kan onder omstandigheden gebruikmaken van de belastingvrijstelling voor personeelsreizen. Essentieel hierbij is dat de personeelsreis niet uitsluitend openstaat voor een grootaandeelhouder (houder van ten minste 1/3e deel van het geplaatste kapitaal al of niet samen met de partner en/of de naaste familiegroep), waar een dga veelal toe behoort.
De fiscale regeling voor personeelsreizen moet bovendien op concernbasis worden toegepast. Dit element kwam in de volgende casus aan de orde.
Casus
Een man was directeur en enig-aandeelhouder van een houdstervennootschap. De houdstervennootschap bezat 50% van de aandelen in een werk-BV. Een andere houdstervennootschap bezat de overige aandelen in de werk-BV. Beide houdsters waren de bestuurders van de werk-BV. Voor de uitoefening van het bestuur stelden beide houdsters via een managementovereenkomst hun eigen directeur-grootaandeelhouder ter beschikking. Bij de werk-BV waren twee werknemers in dienstbetrekking.
In 2002 en 2003 organiseerde de werk-BV voor de twee werknemers en de dga's van de houdsters een personeelsreis naar IJsland en Egypte. De werk-BV betaalde de rekeningen van de personeelsreizen. De houdstervennootschappen waren van deze gang van zaken op de hoogte en dienden een suppletieaangifte loonbelasting en premie volksverzekeringen in. Ook de werk-BV diende een suppletieaangifte in voor de twee werknemers die aan de reizen hadden meegedaan. Bij de berekening van de verschuldigde belasting paste de werk-BV de beperkte vrijstelling voor personeelsreizen toe die in 2002 en 2003 nog van toepassing was.
Naheffingsaanslagen
De inspecteur legde de drie vennootschappen vervolgens naheffingsaanslagen loonbelasting op over 2002 en 2003. Na bezwaar van de werk-BV accepteerde de inspecteur de toepassing van de (toenmalig beperkte) vrijstelling voor de twee werknemers. Soortgelijke bezwaren van de twee houdsters met betrekking tot hun dga wees hij echter af.
De houdstervennootschap van de dga was het met de hoogte van de naheffingsaanslagen niet eens en stelde onder meer dat de dga vanwege zijn functie en positie binnen het bedrijf tot dezelfde organisatorische en functionele eenheid behoorde als het kantoorpersoneel van de werk-BV. De houdstervennootschap ging daarop in beroep bij de rechter.
Eén concern
De rechter stelde vast dat tussen de houdster en de inspecteur overeenstemming bestond dat sprake was van loon van de houdster en geen loon van de werk-BV. De partijen baseerden zich daarbij op een arrest van de Hoge Raad van november 2000. Ook bestond overeenstemming dat sprake was van een personeelsreis. De rechter sloot zich bij deze uitgangspunten aan.
De rechter ging voorts nog verder in op het arrest uit 2000. Daarin werd voor de kwalificatie van het betreffende loonbestanddeel het concern als geheel bezien. De uitgangpunten van dit arrest zijn ook van toepassing op de kwalificatie van deze reizen. De rechter oordeelde dan ook dat het concern voor de toepassing van de vrijstelling óók als geheel moet worden bezien.
Nu de beide dga's en de twee werknemers van de werk-BV alle werkzaam waren bij hetzelfde concern en niet in geschil was dat sprake was van een personeelsreis, mocht de houdstervennootschap de (toenmalig beperkte) vrijstelling voor personeelsreizen toepassen.
Uitspraak: Rechtbank Breda, 27 maart 2007, nr. 05/2120 (gepubliceerd 5 juni 2007).